Klaas (deel 1)

Dat onze kater Klaas heette kwam door mijn vader. Die had vroeger een banketbakkerij en hield er katten op na om het knagend ongedierte te verdelgen. Hij noemde ze allemaal Klaas. Onze eerste kater heette zo. Onze poesjes en hun nakomelingen ook. Wij vonden ze lief en gezellig.

Voor mijn vader waren de katten een deel van het bedrijf. Ze moesten ratten en muizen vangen. Daarvoor gaf hij ze te vreten. Met mate overigens, want anders werden ze lui. Onze Klaas, dat moet gezegd worden, was een bijzonder beest. In tegenstelling tot andere katers, die met brede hamertronies schichtig langs de heggen slopen, had hij een beschaafd uiterlijk. Met zijn smalle neus, zijn hoog voorhoofd en zijn dromerige, gele ogen maakte hij een bijna aristocratische indruk. Intelligent als hij was, had hij geleerd de keukendeur te openen. Die hing een beetje scheef en sloot niet goed. Als hij met zijn voorpoten op de kruk leunde, sprong de deur vanzelf open. Dan werd het koud in de keuken.

Buren

“Wij wonen hier nou al bijna een jaar”, zei Cobie op een dag “en we hebben onze buren nog niet eens officieel op bezoek gehad.” Ze bedoelde het goed, maar ik stroomde niet over van enthousiasme. We hadden ze al een keer op het terras meegemaakt, ’s zomers, toen het nog warm was. De mannen stonden voor de klas, Engels en wiskunde. Verhandelingen over de veelzijdigheid van het Engelse idioom en gedetailleerde gegevens over de nomenclatuur in de wiskunde kunnen op de duur erg vermoeiend zijn. De vrouwen praatten over de prestaties van hun kinderen op school. Onze kroost bezat geen noemenswaardige leerkwaliteiten. We waren al blij als ze een voldoende haalden en nog wat tijd over hadden om te spelen. “Vraag de Mommersons erbij”, stelde ik voor. Cobie verbleekte. Die konden we met goed fatsoen niet uitnodigen! Mommerson was iets in het leger. Hij was een joviaal man, die gauw eens iemand mee naar huis nam voor een borrel, wat dan wel es wilde uitlopen. Boze tongen beweerden dat hij een schuinsmarcheerder was, wat bij sommige vrouwen een aanvankelijke terughoudendheid teweeg bracht. Maar het waren onze overburen en zijn vrouw was erg aardig. Zaterdag over een week. De volgende dag kon iedereen uitslapen.

Taart

’s Middags had Cobie een taart gekocht. Voorzichtig zette ze die op de keukentafel. “Kijk uit, hoor en niet aankomen!” Zo’n taart is een teer kunstwerk, romig wit, afgewisseld met zoete pastelkleuren. De grove zijkant van aangesmeerde amandelen komt bijna profanerend over. Judith en René kwamen ruiken. “Wanneer krijgen we een stukje?” Dat werd tot na het eten uitgesteld. Cobie nam met duim en wijsvinger de maat: negen stukken moesten het worden. Ik hoefde niet. Voor mij was er altijd wel iets hartigs. Behoedzaam verdeelde ze hem in keurige gelijkbenige driehoeken, die ze behendig op een vlakke schaal overhevelde. Zo ontstond er stuk voor stuk een nieuwe taart, onzichtbaar verdeeld in juist geproportioneerde punten.

Wachten

Plotseling verscheen Klaas voor het raam. Zijn witte bef en poten staken af tegen de donkere achtergrond van de vroege avond. Omdat hij zo erbarmelijk miauwde lieten we hem binnen. Toen de kinderen hun boterham op hadden, zei René: “Nou krijgen we een stuk taart!” Wij deden verontwaardigd: “Jullie hebben het ene nog niet op of je kijkt al weer naar het andere. Straks hoor. Jullie wachten nog maar even.” Ze dropen af. In de gang kwamen ze Klaas tegen, die zich zat te likken. Ze wilden hem aaien, maar hij liep benenstrekkend bij hen vandaan. Terwijl ik even naar het nieuws keek, kuierde Klaas zonder kwade bedoelingen de keuken binnen, ging daar zitten, sloeg zijn staart om zich heen, stak zijn neus in de lucht en sprong op het aanrecht. Hij liep op de taart af, begon aan de slagroom te likken en freesde met zijn raspende tong geluidloos een rand weg. Hij keek pas op toen Cobie de keuken binnenkwam, ijlde naar de klink en flitste naar buiten. Toen Cobie’s blik op de taart viel, slaakte ze zo’n doordringende kreet dat ik verschrikt het weerbericht in de steek liet om haar te hulp te snellen.

Schade

Drie punten bleken slagroomschade te hebben opgelopen. De rest was heel. Cobie verwijderde de aangetaste punten en legde ze apart. “Die zijn voor ons natuurlijk!” mopperde René. “Waar onze Klaas aangezeten heeft, zeker,” riep Judith. De beschadigingen werden weggesneden. De punten hadden nog een aanzienlijk formaat. Na hun aanvankelijk protest verdwenen de kinderen elk met een schoteltje naar de kamer. Voor de gasten hadden we nog net genoeg. Cobie zou het derde aangevreten stuk nemen zonder dat iemand het merkte. De kinderen lagen voor half negen in bed. Als ik voor de drankjes zorgde kon er eigenlijk niets meer verkeerd gaan.

Sikje

Beker had zijn naam, vanwege het vak graag met een “a” gezien. Hij stelde voor dat we Patrick zouden zeggen. Of gewoon Pat. Hij had grijzend haar, een rond blozend gezicht, wat verschrikte ogen en een beginnend buikje. Zijn vrouw was een mollige brunette met een guitige blik. Twee problemen had ze, vertelde ze meteen: haar man en haar gewicht. Vroeger heette ze Ankie, nu Ank. Ank en Pat dus. De mathematicus was dun en spichtig, wat nog geaccentueerd werd door een zwart sikje, dat hij voortdurend in de juiste vorm streek en door een randloos brilletje met dunne gouden stangetjes. Zijn naam paste niet bij zijn uiterlijk: Rudolf van Daalen. Met twee a’s. Zeg maar Ruud. Zijn vrouw heette Zwaantje. Een sympathieke naam, maar moeilijk af te korten. Zwaan klinkt zo onfeminien. Ze droeg donkere wijde kleding, die haar figuur verborg. Ruud en Zwaantje dus.

“Wil iedereen koffie?” vroeg Cobie. “De Mommersons zijn er nog niet”, zei ik. Ruud keek om zich heen. “Komen die ook?” Het leek me verstandig om even in de keuken te gaan helpen. Ik mocht het dienblad met de kopjes naar binnen brengen. Cobie volgde met de taart en de bordjes. “Ga jij even?” vroeg ze toen de bel ging.

Oppervlakkig

Tony Mommerson hielp zijn vrouw uit haar jasje. “Onze Herman is niet in orde”, verontschuldigde ze zich. “Hij zal wel wat onder de leden hebben. Ik heet Nel.” Voor de spiegel nog even een rappe beweging langs haar kapsel, een vluchtige blik over de flanken. Slank, Chique. Mommerson liep er legère bij: wollig jasje, lichte broek, open hemd. Het enige martiale aan hem was zijn snor en zijn spitse neus.

“Wie zijn de anderen?” Hij hield niet van verrassingen. Het zal zijn beroep geweest zijn. De gesprekken begonnen oppervlakkig. Voor geloof en politiek was het nog te vroeg, het leger geen thema en voor moppen moest eerst de markt verkend worden. Tijdens de koffie hoefden we geen hinderlijke hiaten te overbruggen, maar toen we afruimden stokte de stemming even. Mommersen spreidde zijn armen uit, haalde Ank en Zwaantje naar zich toe en beweerde dat hij zich voelde als een ruwe steen in goud gevat. Ze kregen er allebei een kleur van. Ruud en Pat ook.

Ziek

Toen iedereen wat in z’n glas had verscheen plotseling Judith in de deuropening en knipperde tegen het licht. We schrokken een beetje. Onze kinderen komen zelden uit bed. “René heeft overgegeven”, vertelde ze. “in de W.C.” De gasten toonden begrip toen Cobie mee ging. “Misschien heeft hij iets verkeerds gegeten”, opperde Zwaantje.

Mommerson keek op zijn horloge. Hij wilde even naar de overkant om te kijken of met Herman alles in orde was. Buiten was het stil en koud. Hij haalde een paar maal diep adem en moest ineens verschrikkelijk nodig. Haastig trok hij zijn rits open en stevende op een struik af. Met opzet verdeelde hij de zaak een beetje. Anders klaterde het zo hinderlijk.

Misselijk

“Stil es”, zei Cobie en draaide haar hoofd opzij. “Daar sjouwt er weer eentje door het huis. Dat zal René wel wezen. Hé, wat vervelend nou!” Ik sloop de trap op. René lag in bed en sliep. Zijn voorhoofd was warm, maar gloeide niet meer. In Judiths kamer brandde het licht en haar bed was leeg. Ik vond haar in de badkamer op haar knieën voor de WC. “Wat is er met jou?” Ze schudde zich. “Ben je misselijk?”

“Ook”, zei ze moeilijk. “En ik heb zo’n buikpijn!” Ze hield zich krampachtig aan de rand vast en wilde niet weg. Net toen ik een washandje nat maakte, kwam Cobie binnen. “Goh”, zei ze, “ik dacht dat het René was. Ga maar naar de kamer. Ik doe ’t verder wel.” De gasten hadden zich niet verveeld. Er was genoeg te eten en te drinken. Bovendien hadden ze een CD opgelegd. Happy raggie op de achtergrond.

Toen Cobie Judith weer onder de wol had, hoorde ze Mommerson aankomen en deed hem open. Naar buiten wijzend probeerde hij wat te zeggen, maar Cobie legde hem met een vinger op haar lippen en een veelbetekenend gebaar naar boven het zwijgen op. Mommerson begreep het meteen. Herman bleek te slapen als een roos. Niets meer aan de hand. Er ging zeker wat rond. Een buikgriepje of zo. Wij moesten ons maar niet ongerust maken….

(Volgende maand deel 2)

Albert Lohof

 Quote:

 We hebben onze buren nog niet eens officieel op bezoek gehad

Met een vinger op haar lippen en een veelbetekenend gebaar naar boven legde ze hem het zwijgen op