Klaas (deel 2)

“Jullie hebben toch een kat hè?” vroeg hij ineens. “Een kater”, verbeterde ik. “Klaas.”

“Is dat zo’n zwarte?” vroeg hij na, “met een grote witte bef en witte voorpoten?” Wij vermoedden dat Klaas wat uitgevreten had. “Heb je hem zien lopen?” vroeg Cobie voorzichtig.

Mommerson schudde zijn hoofd. Zien lopen had hij hem niet bepaald. Wij lachten vol begrip. Die Klaas. Cherchez la femme. Bij Mommerson op het gazon waarschijnlijk. “Hij ligt bij jullie op het gras”, meldde Mommerson laconiek, “En als je ’t mij vraagt is hij hartstikke dood!”

Plotseling werd het stil in de kamer. Alleen de muziek speelde nog. Mommerson keek de kring rond en schonk omstandig z’n bierglas vol. “Hier?” vroeg Cobie ongelovig. “Voor het huis? Op het gazon?” Mommerson knikte bij elke vraag. “Ik wou je hem nog laten zien zonet.”.

Gif

Klaas lag er vredig bij. Z’n slanke voorpoten gekruist, z’n achterpoten naast elkaar. Met gestrekte rug en staart. Geschokt gingen we op onze hurken en aaiden hem. Toen ik hem van het vochtige gras tilde lag hij slap over m’n handen. Cobie had tranen in haar ogen. “Hoe kan dat nou?” vroeg ik hardop. Onze blikken gingen over het glimmende asfalt. “Hij is vast overreden”, zei Cobie snikkend. Mommerson schudde z’n hoofd. “Voor zover ik zien kan mankeert hem niets”, zei hij. Terwijl ik Klaas zo goed mogelijk vast hield demonstreerde hij z’n anatomisch kunnen door het dode dier af te tasten. “Alles is heel. Geen bloed. Niks!” We keken hem vragend aan.

“En waarom ligt hij hier?” combineerde hij verder, “als hij daar is dood gereden?” Cobie sloeg de handen voor haar gezicht. “Katten hebben een taai leven”, begon ik. “Het is toch heel goed mogelijk dat hij…..”

“Heb je er wel es eentje onder je auto gehad?” onderbrak Mommerson mij. Dat niet maar ik had dikwijls eentje langs de kant van de weg zien liggen en dat was geen lust voor het oog geweest. Aan Klaas zag je helemaal niets!

“Hij zal toch geen gif gevreten hebben?” vroeg Mommerson. “Neeeeehh!!” riep Cobie schril en rende naar binnen met een kabaal alsof er geen zieke kinderen in huis waren. “Wat heeft je vrouw ineens?” vroeg Mommerson. “Ze hield heel erg van dat dier”, verklaarde ik. Mommerson knikte. “Wat doen we ermee?” vroeg hij zakelijk “Vuilnisbak?” Ik aarzelde. De vuilnisbak was een onwaardige plaats. En als de kinderen hem daar zouden vinden. “Geef maar hier”, zei Mommerson. “Hij kan wel zo lang bij mij in de achterbak. Ik laat hem morgen wel ergens.”

In trance

Zwaantje had net haar derde gin-tonic gekregen. Zo ineens was haar glas weer vol geweest. Ruud had mismoedig geconstateerd dat hij over bepaalde dingen niet meer serieus kon praten. Met een zakdoekje was hij z’n sik aan het schoon maken. Hij verbeeldde zich dat er wat in zat. Plotseling stond Cobie, die ik al even gemist had, met een bang en betraand gezicht in de deuropening. Iedereen keek op. De gesprekken verstomden.

“Ik geloof”, hoorde we haar met een onnatuurlijke stem zeggen, “Ik geloof dat we onmiddellijk 112 moeten bellen!” Nel Mommerson en ik waren meteen bij haar. We brachten haar naar de keuken. Als in trance liet ze zich meevoeren. We gaven haar een glas water, sloegen de arm om haar heen. Ze trilde, transpireerde, haalde moeilijk adem en slikte. “Klaas heeft van de taart gesnoept”, zei ze en zuchtte diep. We hadden afgesproken dat niet onder het publiek te brengen. “Daar heeft niemand iets van gemerkt hoor”, probeerde Nel haar gerust te stellen. “Klaas is dood!” riep Cobie wanhopig. Dat viel niet te ontkennen. “Vergiftigd!”

Kotsmisselijk

“Hoe kom je daar nou bij?” vroeg ik verbaasd. “Dat hebben jullie zonet zelf gezegd”, zei ze. “Onze kinderen hebben van die taart gehad en die zijn allebei ziek!”

“Hun Herman is ook niet in orde”, tekende ik aan. “Die mankeert niks meer”, gaf Nel toe. “Maar je weet hoe dat gaat met kinderen. Zo hebben ze wat en zo is het weer over.”

“Jullie jongen heeft niets van die taart gehad”, zei Cobie. “Ik wel”, deed Nel zo luchtig mogelijk, “en ik voel me kiplekker hoor!”

“Maar ik heb net ook overgegeven!” hield Cobie vol. Ze was doodsbang dat er met die taart iets niet in orde was. Klaas was de kleinste en die was dood. Onze kinderen waren ziek en ook zij was kotsmisselijk geweest. Dat was toch zeker niet normaal!

“Dat er vergif in een taart zit is ook niet normaal”, zei ik. Als zoon van een banketbakker moest ik het weten. Ofschoon ik niet kon geloven dat er iemand aan onze taart had zitten knoeien, de raadselachtige dood van Klaas en de ziekteverschijnselen van Cobie en de kinderen brachten me toch aan het twijfelen. Er gebeurden ongelooflijke dingen in de levensmiddelenbranche: peuken in de kadetjes, kikkers in de spinazie, kammen in de appelmoes of een muis in de andijvie. Waarom zou iemand, bedacht ik met schrik, voor de gein of met een zatte kop…Het zweet brak me uit.

Angst

Mommerson kwam met z’n bierglas in z’n hand de keuken binnen om te zien wat er aan de hand was. Nel vertelde het hem. “Belachelijk!” vond hij.

“Ik stel me heus niet aan hoor”, zei Cobie licht beledigd. “We zitten echt in angst”, verzekerde Nel. “Vergif in een taart!”, smaalde Mommerson. “We leven niet meer in de middeleeuwen!” Ik legde hem uit dat niet de hele bovenlaag van de taart besmet hoefde te zijn. Dat de kinderen die punten hadden verorberd, waar ook Klaas aan gezeten had. Dat ook Cobie een beschadigd stuk had genomen en dat uitgerekend die wat hadden. Mommerson knikte. Hij geloofde er weliswaar geen donder van, zei hij, maar hij kon het tegendeel ook niet bewijzen. En onze kater was dood. Dat moest hij toegeven. “Stel je voor dat we morgen een paar sterfgevallen onder het onderwijzend personeel moeten betreuren”, zei hij grinnikend. “Wat zullen de leerlingen lachen!”

“Tony, asjeblieft!”

“Blijven jullie maar hier”, sprak hij weer helemaal serieus. “Ik vertel het ze wel.”

Zwaailichten

In de kamer werden plotseling stoelen opzij geschoven. Glazen gingen rinkelend over de vloer. Pinda’s ratelden over het parket en knalden tegen de plinten. Er ontstond een collegiaal gedrang naar de deur, waarbij Ruud z’n bril verloor, die knisterend onder de voet raakte. Zwaantje en Ank gristen hun jassen van de kapstok en renden in paniek naar huis. Pat kwam met verwilderde ogen de keuken binnen en vroeg jammerend wat we hem aangedaan hadden. Mommerson had z’n mobieltje aan z’n oor.. “Er zijn twee wagens onderweg.”

“Wilden ze je wel geloven?” vroeg Nel. “Ze nemen het zekere voor het onzekere”, antwoordde hij en haalde z’n schouders op, “Als het loos alarm is kost het geld, anders misschien dooien.”

“Ga je niet mee?” vroeg ze.

Hij grijnsde breed, nam een slok bier, veegde het schuim uit z’n snor en zei: “Ik peins er niet over!” Spookachtig en beangstigend, die twee witte wagens met hun decent zwaaiende lichten. Het duurde even voordat iedereen erin zat. Mommerson had Ruud en Pat naar huis gestuurd om hun vrouwen te halen als hun leven hun lief was. Nel ging als begeleidster mee. In de huizen rondom gingen de lichten aan. Voor de ramen verschenen gestalten, die met hun handen boven hun ogen de duisternis in tuurden. Ze verdwenen weer toen de wagens weg reden, we de voordeur dicht en het buitenlicht uitgedaan hadden.

Nawoord

In de veronderstelling zich daarmee een erotisch voordeel te verschaffen had Klaas, zoals dat onder katers gebruikelijk is, met trillende staart z’n gebied afgebakend. Nu woonde er in de buurt nog een andere kater. Hij was roodbruin, zag er uitgesproken onsympathiek uit en trok zich van Klaas z’n grensaspiraties niets aan. Hij kon zich dat permitteren, want hij was niet alleen ouder maar ook sterker dan Klaas. Die wist dat wel, maar jong en onbesuisd als hij was bond hij, zodra zijn concurrent zich over de geurgrens waagde, moedig de strijd met hem aan. Ondanks mannenmoed en krijgsgeschreeuw delfde hij echter meestal het onderspit. Dan moest hij een goed heenkomen zoeken.

Wat er op die avond precies gebeurd is laat zich niet construeren. Misschien -en dat hopen we een beetje- was hij net aan de winnende hand en daardoor onvoorzichtig geworden. Het is ook mogelijk dat hij weer moest vluchten en de straat op rende. Vast staat dat hij daar door Henk Ferwerda, die een paar huizen verderop woonde, werd overreden.

Henk had Klaas herkend. Hij kon niet meer remmen en hoorde een korte tik. Toen hij de wagen in de garage had, liep hij terug en vond hem zieltogend op straat. Voorzichtig tilde hij het stuiptrekkende lichaampje op en legde het netjes bij ons op het gazon. Een beetje in de schaduw en niet zo voor het oog.

Henk was de beroerdste niet. Hij had gezien dat we bezoek hadden. Daarom besloot hij de bekendmaking van het ongeval tot de volgende dag uit te stellen.

Albert Lohof

 Quote:

 Stel je voor dat we morgen een paar sterfgevallen onder het onderwijzend personeel moeten betreuren…

Henk was de beroerdste niet. Hij had gezien dat we bezoek hadden.